Verhuurderbijdrage

De verhuurderbijdrage is een wettelijk verplichte bijdrage (op grond van artikel 8a tot en met 8f, 19c en 19d Uhw) die verhuurders uit de sociale huursector en met meer dan 50 huurwoningen, jaarlijks moeten betalen aan de Huurcommissie.

Veelgestelde vragen over verhuurderbijdrage

Hoe hoog is de verhuurderbijdrage?
Verhuurders betalen een vast tarief per woning, waarbij de eerste 50 woningen niet meetellen. Voor 2018 is het tarief vastgesteld op €2,36 per woning. Rekenvoorbeeld
Voor een verhuurder met 100 huurwoningen komt dit neer op de volgende rekensom: (100-(50 woningen))*€ 2,36=€ 118.
Waarom moet de sector meebetalen aan de kosten van de Huurcommissie?
Met het introduceren van een bijdrage voor verhuurders wordt de bekostiging van de Huurcommissie door de wetgever geharmoniseerd met andere geschillenbeslechters. Volgens de wetgever en minister strookt dit met het idee dat de private sector de kosten (mede) draagt van de met haar dienstverlening verbonden activiteiten, waaronder een goede geschilbeslechting. Kwalitatief hoogwaardige geschilbeslechting draagt volgens de wetgever bij aan het vertrouwen in verhuurders en de kwaliteit van de diensten van verhuurders, en daarmee aan het vertrouwen in de huursector als geheel. Alle verhuurders hebben baat bij een goede reputatie en aantrekkelijkheid van de sector. Daarnaast biedt de Rijksbijdrage aan de Huurcommissie geen structurele financieringsbasis. In de afgelopen kabinetsperiode is gebleken dat binnen de begroting voor Wonen en Rijksdienst herprioritering van middelen nodig was om de begroting van de Huurcommissie sluitend te krijgen. Het ontbreken van een solide financieringsbasis vormt een risico voor de toekomstbestendigheid van de Huurcommissie. De daling van de Rijksbijdrage en de legesinkomsten wordt door de wetswijziging opgevangen door de bijdrage van verhuurders die baat hebben bij een goed functionerende huursector en is in lijn met hoe de bekostiging werkt bij andere buitengerechtelijke geschilbeslechters zoals het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) en de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ).
Waarom is de financiering van de Huurcommissie niet solide en structureel?
Anno 2017 bestaan de baten van de Huurcommissie uit leges en een bijdrage vanuit de begroting Wonen en Rijksdienst. De middelen voor de bijdrage aan de Huurcommissie zijn op de Rijksbegroting niet structureel beschikbaar. Herprioritering van middelen binnen de begroting voor Wonen en Rijksdienst bleek vaak noodzakelijk. Leges vormen ook geen solide en structurele inkomstenbron omdat de legesinkomsten variabel zijn. De hoogte hiervan is afhankelijk van het aantal geschillen per jaar en van welke partij in het ongelijk wordt gesteld.
Hoe bepaalt de regering wat de bijdrage is van de sector aan de Huurcommissie?
De wet beoogt op termijn een verdeling tussen de Rijksbijdrage en de externe financiering van ongeveer 50/50. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks de omvang van de bijdragen vast, waaronder die van de verhuurderbijdrage. Een 50/50 verdeling wordt daarin meegenomen als richtlijn. Jaarlijks bekijkt de minister of de Huurcommissie met de beschikbare middelen haar taken goed kan vervullen gezien de ontwikkelingen in het huurbeleid en de te verwachten aantallen geschillen. De verdeling tussen Rijksbijdrage en de verhuurderbijdrage wordt jaarlijks aan de Eerste en Tweede Kamer voorgelegd.
Waarom is de verhuurderbijdrage niet gebaseerd op de WOZ-waarde?
De verhuurderbijdrage is gebaseerd op de gegevens die beschikbaar komen als gevolg van de aangifte verhuurderheffing (Wet maatregelen woningmarkt 2014 II) en niet de WOZ-waarde (Waardering Onroerende Zaken), omdat het aantal woningen een betere peiler is voor het potentieel aantal geschillen dat kan ontstaan. 
Waarom betalen kleine verhuurders niet mee aan de verhuurderbijdrage?
Voor de verhuurderbijdrage aan de Huurcommissie wordt gebruik gemaakt van aangiftegegevens uit de verhuurderheffing bij de Belastingdienst. Kleine huurders met minder dan 51 woningen betalen geen verhuurderheffing en daardoor ook geen verhuurderbijdrage aan de Huurcommissie. Echter, de kosten van de Huurcommissie worden wél gelijker verdeeld over alle verhuurders. Dit door de introductie van één legestarief voor alle verhuurders, onafhankelijk of de verhuurder een natuurlijk of rechtspersoon is. Kleine verhuurders zonder rechtspersoonlijkheid gaan hierdoor meer betalen aan de Huurcommissie als zij in het ongelijk worden gesteld.  Daarnaast geldt een gedifferentieerd legestarief voor de verhuurder die binnen een tijdsbestek van drie kalenderjaren vaker in het ongelijk wordt gesteld. Het gedifferentieerde legestarief geldt alleen voor geschillen die gaan over de aanvangshuur (artikel 7:249 BW) en over het splitsen van all-in prijzen (artikel 7:258 BW). Wordt die verhuurder tweemaal in die periode in het ongelijk gesteld, dan is het tarief € 700. Wordt die verhuurder driemaal of vaker in die periode in het ongelijk gesteld, dan is het tarief € 1400.
Hoe vaak krijgen woningcorporaties (on)gelijk t.o.v. particuliere verhuurders?
Er worden geen gegevens bijgehouden van het aantal woningen van verhuurders met geschillen bij de Huurcommissie. Het is dus niet bekend of verhuurders met een klein aantal woningen ook vaker in het ongelijk worden gesteld.
Welk effect heeft de bijdrage op de onafhankelijkheid van de Huurcommissie?
De verhuurderbijdrage is niet van invloed op de onafhankelijkheid van de Huurcommissie. De Huurcommissie blijft een zelfstandig bestuursorgaan waarvan de onafhankelijke werkwijze is verankerd in de Uhw.
In hoeverre is belastingheffing verenigbaar met de toepassing van een hardheidsclausule?
Bij de verhuurderbijdrage is er geen sprake van belastingheffing en ook geen sprake van een hardheidsclausule.
Ook de leges zijn geen belasting. Er is voor de leges voorzien in een hardheidsclausule voor het geval onverkorte en strikte toepassing van de legesregeling zou leiden tot een onredelijke uitkomst. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de verhuurder als gevolg van een administratieve fout meermaals de aanvangshuur verkeerd heeft vastgesteld. Als bijvoorbeeld sprake is van het moedwillig niet naleven van het WWS bij de aanvang van de huurovereenkomst, dan kan de betreffende verhuurder geen beroep doen op toepassing van de hardheidsclausule. De Huurcommissie draagt er in haar beleid zorg voor dat de hardheidsclausule niet willekeurig wordt toegepast.
De verhuurder is het niet eens met de verhuurderbijdrage. Kan de verhuurder bezwaar maken?
Verhuurders, met meer dan 50 huurwoningen in bezit in de gereguleerde sector, hebben in november een beschikking ontvangen van de Huurcommissie. Deze verhuurders zijn volgens de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte verplicht om de verhuurderbijdrage aan de Huurcommissie te betalen. Heeft een verhuurder een beschikking ontvangen en wil de verhuurder bezwaar maken? Dien, binnen zes weken na de datum van verzending van de beschikking, een schriftelijk bezwaarschrift in bij de Huurcommissie. Vermeld in het bezwaarschrift:
- De naam en adres.
- De datum waarop de verhuurder het bezwaarschrift schrijft.
- Een omschrijving van de beschikking waartegen het bezwaar is gericht.
- Uitleg waarom de verhuurder bezwaar maakt.
- Een handtekening. De verhuurder kan het bezwaarschrift onder vermelding van ‘Bezwaarschrift verhuurderbijdrage’ sturen aan de Huurcommissie, Postbus 16495, 2500 BL, Den Haag.
In welk geval kan de verhuurder bezwaar maken?
De Huurcommissie moet zich volgens de wet houden aan de opgave van de Belastingdienst over de verhuurder en het aantal woningen. Klopt het aantal huurwoningen in de beschikking van de Huurcommissie niet? En heeft de Belastingdienst formeel, via een nieuwe beschikking, een nieuw aantal huurwoningen vastgesteld? In dat geval kunt u de nieuwe beschikking van de Belastingdienst meesturen met uw bezwaarschrift.